Tijdens een verdiepend gesprek over vetzuren gingen Pim Christiaans en Juglen Zwaan in op een vraag van een luisteraar over de verhouding tussen omega 3 en omega 6. Hoe belangrijk is die vetzuurbalans eigenlijk?
omega 3
Volgens beiden is de verhouding cruciaal. Een verstoorde balans tussen omega 3 en omega 6 kan ontstekingsprocessen aanwakkeren. En juist chronische, laaggradige ontstekingen liggen aan de basis van veel moderne welvaartsziekten, zoals hart- en vaatziekten en metabole aandoeningen.
De omega 3-index als graadmeter
Pim liet in het verleden zijn omega 3-index bepalen via een vingerpriktest. Zo’n test meet het percentage omega 3-vetzuren in de membranen van rode bloedcellen. “Idealiter wil je boven de 8 procent zitten,” legt hij uit. Onder de 4 procent wordt als ongunstig beschouwd – en naar schatting zit het overgrote deel van de bevolking onder die grens.
Interessant is dat onderzoek laat zien dat de omega 3-index mogelijk een betere voorspeller is van hart- en vaatziekterisico dan cholesterolwaarden alleen. Een optimale waarde ligt volgens Pim rond de 8 tot 12 procent. Om dat te bereiken kan suppletie nodig zijn, zeker als er weinig vette vis wordt gegeten.
Vis, algen en levertraan
Waar haal je kwalitatief goede omega 3 vandaan? Plantaardige bronnen zoals lijnzaad bevatten ALA (alfa-linoleenzuur), maar de omzetting naar de biologisch actieve vormen EPA en DHA is beperkt. Daarom adviseren Pim en Juglen vooral bronnen die al EPA en DHA bevatten: vette vis of algenolie.
Voor wie geen vis wil eten, is algenolie een duurzaam alternatief. Vis maakt deze vetzuren immers niet zelf aan, maar verkrijgt ze via algen. Belangrijk blijft wel de kwaliteit: oxidatie is een reëel risico bij omega 3-producten. Daarom moet een supplement goed gezuiverd zijn, koel en donker worden bewaard en bij voorkeur in glas verpakt zijn.
Juglen gebruikt zelf levertraan en benadrukt dat productieproces en zuivering doorslaggevend zijn. Levertraan bevat naast omega 3 ook vitamine A, D en E. Daarbij is voorzichtigheid geboden, vooral met vitamine A, omdat een teveel schadelijk kan zijn. Transparantie van het merk en correcte dosering zijn essentieel.
Genetische verschillen en de toekomst van suppletie
Het gesprek kreeg ook een toekomstgerichte wending. Niet iedereen zet voedingsstoffen even efficiënt om. Genetische variaties – polymorfismen – kunnen bijvoorbeeld de omzetting van bètacaroteen naar vitamine A of van vitamine D2 naar D3 beïnvloeden.
Volgens Pim en Juglen staan we aan het begin van een tijdperk waarin gepersonaliseerde voeding en suppletie steeds belangrijker worden. DNA- en epigenetische testen kunnen inzicht geven in individuele behoeften. “Wat we nu doen is vaak nog schieten met hagel,” klinkt het. In de toekomst weten we preciezer wie welke ondersteuning nodig heeft.
Tegelijkertijd waarschuwen ze voor overhaaste conclusies. Niet elke test is even betrouwbaar, en kritisch blijven is noodzakelijk. Juist daarom vinden ze het belangrijk om wetenschappelijke publicaties grondig te analyseren en waar mogelijk direct met onderzoekers te spreken.
